Lezing op het congres psychiatrie 2002, Antwerpen, 13 september 2002
In eerste instantie zou men denken dat het werk in een rust-en verzorgingstehuis niet te plaatsen valt onder de noemer psychiatrie. Toch gaat het in mijn verhaal om een stukje psychiatrie in ontwikkeling binnen een woon-, leef en zorgklimaat voor dementerende ouderen.
Sinds 1993 bestaat na een reorganisatie door de huidige directie en raad van beheer het RVT St. Bernardus waar ik werkzaam
ben uit vier wooneenheden van telkens 30 residenten. Binnen de diversiteit aan pathologieën waar bewoners en personeel mee
geconfronteerd werden tekende zich 1 groep specifiek af, de bewoners die leiden aan een dementie. Het leek alsof de hulp die op
dat ogenblik voornamelijk bestond uit het toedienen van lichamelijke zorg, onvoldoende en ontoereikend was voor personen met een
vorm van dementie. De bekommernis rond de begeleiding van dementerende bejaarden groeide en er werd door de directie en de raad
van beheer besloten een dienst bijzondere begeleiding voor dementerende ouderen uit te bouwen. Op een bestaande wooneenheid
werden bewoners met dementie samengebracht en een psychologe werd aangesteld om het project te coördineren. De keuze om op een
psychologe beroep te doen, stamde zeker vanuit de confrontatie die men ondervond bij het verzorgen van dementerenden. Door het
specifieke ziektebeeld van dementie en het gedrag waarmee verzorgenden geconfronteerd werden, stelde men vast dat de dagelijkse
verzorging moeilijk uitvoerbaar werd. Wanneer bijvoorbeeld een verzorgster aan een dementerende bewoner voorstelde om in bad te
gaan, protesteerde deze fel en zei dat hij zich wel zelf kon wassen. Op geen enkele manier kon de verzorgster hem overtuigen
toch in bad te gaan. Er drong zich een andere benaderingswijze op. Vanuit haar eigen invalshoek probeert de psychologe meer
nadruk te leggen op de interactie die plaatsvindt bij de verzorging. De context waarin handelingen plaatsgrijpen wordt
belangrijker dan de handeling op zich.Door het steeds opnieuw in vraag stellen van de interacties die gebeuren tussen bewoners
en personeel, tussen bewoners onderling en tussen personeelsleden onderling, in combinatie met het continu informeren van
personeelsleden over de ziekte, ontstond op deze dienst een bijzondere manier van begeleiden van demente bewoners. Nu legt men
meer de klemtoon op hoe de bewoner zijn ziekte beleeft en hoe men een woon-, leef- en zorgklimaat kan scheppen dat nauw aansluit
bij de psychische noden van personen met dementie.
In een volgende fase werd ik aangesteld als muziektherapeute om mee te werken aan een wat men noemt 'belevingsgerichte
begeleiding' van dementerende ouderen. Sinds vorig jaar is er ook een geronto-psychiater deeltijds verbonden aan het RVT.
Vooraleer ik wil vertellen over hoe muziektherapie kan bijdragen tot een belevingsgerichte begeleiding wil ik even kort het
begrip dementie toelichten.
Het begrip dementie wordt bij ouderen nogal snel in de mond genomen. Meestal staat het dan voor "een geleidelijke achteruitgang
of aftakeling van de cognitieve functies. Toch is het nodig om het woord dementie in de juiste context te gebruiken. In
Vlaanderen baseert men zich meestal op het DSM-IV classifficatiesysteem. Zonder hierover verder te willen uitweiden, wil ik
vermelden dat men enkel over dementie kan spreken wanneer voldaan wordt aan alle symptomen van de eerste orde namelijk er moet
een globale uitval van het geheugen zijn, er moet sprake zijn van afasie, agnosie en apraxie en de cognitieve stoornissen moeten
een samenhang vertonen. Dit wil zeggen dat stoornissen in het geheugen en taalstoornissen samengaan. Verder is het ook
belangrijk om vooraleer men de diagnose van dementie stelt het beloop van de ziekte na te gaan, vermits er immers sprake moet
zijn van deterioratie. Het is belangrijk de ziekte te onderscheiden van andere psycho-pathologische aandoeningen en zeker van
het delier.
Symptomen van de tweede orde zijn niet typisch voor dementie maar komen eveneens voor bij andere psychopathologische beelden.
Het gaat dan om stemmingsstoornissen, stoornissen in de impulscontrole die leiden tot agitatie en decorumverlies, lusteloos,
besluiteloosheid, aandachts- en concentratiestoornissen. Bovendien treedt er vaak een persoonlijkheidsverandering op. We zien
dat demente personen geregeld evolueren in de richting van een paranoïde persoonlijkheid.
In het RVT worden we grosso modo geconfronteerd met twee verschillende soorten dementie, namelijk dementie van het
Alzheimer-type en de multi-infarct dementie.
Belangrijker voor het werk als muziektherapeut is echter een psychodynamische benadering van dementie.
We kunnen dementie dan omschrijven als een proces van in zichzelf keren of van toenemend isolement. Het contact met de
buitenwereld wordt steeds minder geïnspireerd door een wederzijds engagement. De externe dialogen van ernstig dementerenden
zijn niet meer gericht op contact met de buitenwereld maar zijn nog uitsluitend een uitdrukking van een eigen, onbegrijpelijke
innerlijke wereld van in een eerste fase herinneringen en later enkel herbelevingen. (R. Verdult, 1993)
Uiteindelijk wordt het functioneren van een ernstig dementerende gekenmerkt door een gebrek aan onderscheid tussen het zelf en
zijn omgeving. Net als een pasgeboren baby functioneert de ernstig demente persoon op een psychisch traumatisch niveau.
Ernstig dementerenden ervaren op een primitieve wijze. Er bestaat geen besef van verbondenheid met de omgeving en bovendien
worden in deze bestaanswijze lichamelijke sensaties op geen enkele manier verbonden met een gevoel, noch worden ze
gesymboliseerd. (R. Verdult,1993) Dit zal een belangrijk gegeven zijn voor het werk in de muziektherapie.
Op basis van het desintegratieproces kunnen we een fasemodel opstellen. Engelen en Peeter verdelen het dementieproces onder in drie opeenvolgende stadia. Verdult brengt daarna verschillende belevingsaspecten in verband met dit fasemodel.
De eerste fase wordt omschreven als de fase van het bedreigde-ik. De beginnend dementerende voelt zich bedreigd. Het is een
angstig gevoel van onzekerheid over wat hem te wachten staat. In deze identiteitscrisis staat het dreigend verlies centraal.
Het uiteenvallen van de identiteit is begonnen. De dementerende persoon moet dit alles verwerken als in een rouwproces.
Personen in deze fase zijn vaak prikkelbaar, gespannen, nerveus, agressief en soms depressief.
In het Rust- en verzorgingstehuis waar ik werk, komen we slechts zelden mensen tegen die zich in deze fase bevinden. Hoewel
muziektherapie in deze fase zeker nuttig kan zijn, wil ik hierover toch niet uitweiden.
De tweede fase in het desintegratieproces kan omschreven worden als de fase van het verdwaalde-ik. Meestal komen de bewoners
voor het eerst op onze dienst voor speciale begeleiding terecht als ze zich in deze fase van dementie bevinden. Het contact
met anderen wordt gekenmerkt door aspecten uit het verleden. De dementerende ervaart de omgeving als erg chaotisch. De
identiteitscrisis maakt plaats voor identiteitsverwarring. De dementerende geraakt verdwaald in zichzelf. Het wordt steeds
moeilijker om zich als autonome persoon van anderen te onderscheiden. Scènes als de volgende komen in deze fase geregeld voor :
Een dementerende vrouw vraagt zich af of haar ouders nog leven. Het volgende ogenblik weet ze zeker dat moeder overleden is,
maar in het moment dat daarop volgt vraagt ze zich af hoe het komt dat ze moeder net nog gezien heeft.
In deze fase staat angst centraal. Dementerenden vinden geen woorden meer om uit te drukken wat ze voelen. Enkel door vorm te
geven aan de lichamelijke sensaties waarvoor de dementerende geen woorden meer kan vinden, kan de angst worden gereduceerd.
Omdat structuur veiligheid biedt, zal de angst verminderen en heeft de dementerende een zekere controle over zijn leven.
Op de afdeling brengt men structuur door de leefruimte zo weinig mogelijk te veranderen en voor iedereen bijvoorbeeld een vaste
plaats aan tafel te voorzien. Ook het uitkijken op herkenbare voorwerpen biedt in deze fase veiligheid. Men zorgt ervoor dat
er geen wijzigingen worden aangebracht in het dagschema als dit niet strikt noodzakelijk is en door in een gesprek met de
dementerende de sensaties voor hem te structureren geven de verpleegsters en verzorgsters hem een houvast.
In de fase van het verzonken-ik kunnen we de psychische toestand waarin de dementerende zich bevindt, vergelijken met de toestand waarin een baby van minder dan zes maanden zich bevindt. De houding is vaak foetaal, vroegkinderlijke reflexen zoals de zuig- en grijpreflex worden geactiveerd en de ervaring een eigen persoon te zijn, is volledig verdwenen. De demente in deze fase valt volledig samen met primaire levensbehoeften als eten, drinken, rust en warmte. Sensorische en motorische prikkels vormen het enige contact met de omgeving.
Maria is een vrouw van 93 jaar. Ze lijdt aan de ziekte van Alzheimer en sinds kort zit ze in een zitschaal omwille van een
slecht herstelde heupfractuur en een algemeen verzwakte toestand. Haar gemoedstoestand is erg wisselend maar ze lijkt vaak
verdrietig. Ze steunt dan haar hoofd in haar handen en klaagt over hoofdpijn. Als je vraagt hoe ze zich voelt, antwoordt ze: "Ik
kan het niet zeggen" waarmee ze aangeeft dat ze de sensaties die haar overspoelen niet op een zodanige manier kan vormgeven dat
ze er woorden voor kan vinden om haar ervaring, haar beleving uit te drukken. Vaak komt de hoofdpijn plots naar voren wanneer
je haar iets vraagt. "Gaan we eten in de living?" is bijvoorbeeld een vraag die Maria erg angstig maakt. Zij is ervan overtuigd
dat ze in de keuken eet. (Dat deed ze vroeger altijd) en haar man Jef is nog niet thuis en ze wil op hem wachten om te eten.
(Dat haar man al enkele jaren geleden overleden is, weet ze op dit ogenblik niet meer.) Wanneer de verzorgster aandringt om toch
maar in de living moet komen eten, krijgt Maria hoofdpijn.
Ze zegt dat ze nu echt niet kan eten want ze heeft zeer veel pijn. Eten in de living is voor Maria helemaal vreemd. De realiteit
strookt niet met haar belevingswereld en dat maakt Maria erg angstig. De situatie is voor haar zo stresserend dat ze er hoofdpijn
van krijgt.
Om haar de mogelijkheid te geven te verwoorden wat er in haar omgaat, stel ik voor Maria mee te nemen voor muziektherapie. Vanuit
de voorgeschiedenis weet ik dat Maria zeer veel hield van muziek, dat ze van het leven profiteerde en vaak ging dansen. Als ik
haar echter zou vragen of ze wil muziek maken, zou ze waarschijnlijk "neen" antwoorden. Het zou te vreemd zijn voor de
belevingswereld waarin zij vertoeft. Daarom begroet ik Maria met:" Hoe gaat het? Ik zal even met U meegaan" Intussen duw ik haar
rolstoel verder zodat ze het gevoel heeft dat ze in beweging is. Ze antwoordt dat ze het aangenaam vindt dat ik met haar meeloop.
Als we voorbij het muziektherapielokaal wandelen, vraag ik of ze even wil binnenkijken. Ze ziet de piano en vraagt: "Kunt gij
daarop spelen?" Als ik "ja" antwoord, zegt Maria: "Speel maar hoor, als ge wilt". Ik speel heel langzaam een oud bekend lied.
Voor het tempo en de dynamiek baseer ik me op Maria's ademhaling en de bewegingen van haar lichaam. Na een tijd zingt Maria het
lied mee. Waar ze de tekst niet meer kent, vocaliseert ze verder. Ze heft de armen op en maakt grote bewegingen. Ik volg steeds
haar tempo. Ze slaat luid op de tafel die voor haar staat en zingt uit volle borst. Haar lichaam werd door de muziek helemaal
in beweging gebracht. Als het lied stopt, zegt Maria dat het zo lang geleden is dat ze die muziek nog gehoord heeft. Ze vertelt
over de beelden die bij haar verschenen tijdens het klinken van de muziek. Het beeld beschrijft haar ouderlijk huis waarin ze
met vijf kinderen samen woonden en heel gelukkig waren. Ze noemt de namen van alle broers en zussen in de correcte volgorde en
vertelt kort iets over elk van hen. In een andere situatie zou zij zich onmogelijk die namen herinneren. Tegelijkertijd verwijst
Maria naar haar gevoel op dit moment."Ik mag er niet aan denken" zegt ze steeds "Die tijd is voorgoed voorbij en die komt nooit
meer terug. Ik had nooit durven denken dat het met mij zo zou aflopen." Er volgt een gesprek waarin Maria vertelt dat ze verward
is in haar hoofd en dat ze verdrietig is om wat er met haar gebeurt. Ze zegt dat ze zich eenzaam voelt omdat iedereen uit haar
omgeving overleden is.Tijdens het gesprek probeer ik haar verbaal te ondersteunen door wat ze zegt steeds te herhalen of binnen
een context te plaatsen. We zingen nog enkele liederen op dezelfde wijze en telkens spreekt Maria na het klinken van de muziek
over het gevoel dat overblijft na het zingen.
Wat telkens weer opvalt, is dat Maria wel degelijk beseft dat er met haar iets aan de hand is.
In de muziektherapie krijgt ze de gelegenheid het gevoel ten volle te ervaren en er een betekenis aan te geven. Na afloop is
Maria tevreden. Ze is blij dat ze die liederen heeft gezongen en dat ze toch mooie herinneringen heeft aan haar kinderjaren.
Tegelijk beseft ze dat ze heel verdrietig is om wat haar overkomt en dat ze bang is voor de toekomst.
Wanneer Maria terug op de afdeling komt, vraagt men haar of ze goed gezongen heeft. Maria antwoordt dat ze helemaal niet gezongen
heeft. Door haar defecte korte termijngeheugen kan zij niet onthouden wat er gebeurd is. Het opgeluchte gevoel dat ontstond na
het verwoorden van haar verdriet is slechts tijdelijk van aard. Na een tijd is Maria het kwijt en zit ze weer met haar hoofd in
haar handen. Toch heeft ze zich even opgelucht mogen voelen. Even kon ze veiligheid, warmte en tederheid ondervinden.
In de fase van het verdwaalde-ik waarin ook Maria zich bevindt, wordt de belevingswereld gekenmerkt door een veralgemeende
angst, en dit als gevolg van een toenemend controleverlies of een verlies van de ik-functies. B. Miesen spreekt over een zekere
besefscontext bij dementerenden. De dementerende beseft dat er met haar persoon iets aan de hand is en dat ze alle controle op
de omgeving verliest. Het gedrag moet dan niet begrepen worden als een gevolg van het dementieproces maar wel als een affectieve
reactie op wat de persoon overkomt. Het overkomt haar inderdaad, ze heeft geen enkele greep meer op het leven. De dingen die ze
voelt, situeren zich op een traumatisch niveau. Ze beleeft haar ziekte op een traumatische manier en het gedrag dat de demente
persoon stelt is een reactie op deze traumatische ervaring. In een situatie van angst gaat de persoon automatisch op zoek naar
veiligheid en hechting. We zien in het gedrag een ouderfixatie optreden, vaak beweren dementerenden dat hun moeder nog leeft en
dat ze naar haar toe willen gaan. Dit fenomeen kunnen we begrijpen als een zoeken naar gehechtheid, warmte en veiligheid.
In muziektherapie bestaat het belangrijkste werk dan ook uit het trachten te herkennen van de affectieve reacties en er op een
gepaste wijze op te reageren zodat de angst bij de dementerende gereduceerd kan worden en er een gevoel van veiligheid en
geborgenheid, een gevoel van hechting kan ontstaan. Muziek en muziektherapie speelt een moederlijke rol.
Muziek is een bijzonder en exclusief hulpmiddel voor het creëren van een veilige omgeving. We zouden kunnen stellen dat
muziek op zichzelf eigenschappen bezit die specifiek zijn voor het medium muziek en niet eigen aan andere kunstvormen zoals
bijvoorbeeld de schilderkunst of de poëzie. Zo beweert Kimmo Lehtonen (1995), een Fins muziektherapeut dat het ervaren van
muziek op dezelfde wijze gebeurt als een baby de externe wereld ervaart. Hij beschouwt het ervaren van muziek als een archaïsche
vorm van denken. Het gebeurt op een lichamelijke wijze. Muziek ervaren, is ervaren met het lichaam. Het gaat om spanning en
ontspanning. Dit gebeurt net zoals bij baby's op het niveau van het lichaam, het traumatische, het niet-gesymboliseerde, het
reële, zoals Lacan het zou noemen. Je hebt geen intelligentie nodig om muziek te verstaan. Het is een non-verbale, kinderlijke
manier van denken.Muziek ervaren zou je kunnen vergelijken met de wijze waarop een baby de externe wereld ervaart. Jan Van Camp
zegt: Muziek brengt het lichaam in beweging en laat het meeresoneren op een niet gesymboliseerd, dus traumatisch niveau.
(J. Van Camp, 1998)
Maar er is meer dan dat.
Wanneer we het ervaren van muziek van naderbij bekijken, vinden we bij Kerkvader Augustinus een interessante tekst. In een
fragment uit zijn belijdenissen kwam hij tot de vaststelling dat hij op een bijzondere wijze geraakt werd door de psalmen wanneer
ze gezongen werden. Bij de gesproken psalmen ervaarde hij dit niet. Zijn lichaam werd als het ware bewogen, resoneerde mee met
het gezang en zo kwam hij terecht in een soort genotsvolle toestand. Hert genot maakte zich meester van hem en hij kon er niets
tegen doen.
Het gevoel van genot dat Augustinus ervaarde bij het horen van de gezongen psalmen, kunnen we omschrijven als een gevoel van
tijdeloosheid, van grenzenloosheid, van opgenomen zijn in een geheel. Dit oceanische ik-gevoel dat ontstaat bij het beluisteren
van muziek is vergelijkbaar met de symbiose zoals die bestaat voor en juist na de geboorte tussen een moeder en haar baby.
De innerlijke structuur van muziek, de vormen die inherent zijn aan het sonore object produceren een herinnering zonder beelden,
een onvoorstelbare herinnering zoals Jan Van Camp en Jos De Backer(1999) het noemen. Een onvoorstelbare herinnering die opduikt
wanneer het geluid klinkt en verdwijnt bij het stoppen van de klank. Bovendien kan het klinken van muziek beelden doen ontstaan
die zorgen dat een ervaring in de volle betekenis van het woord tot stand kan komen. Wellicht heeft iedereen al iets
gelijkaardigs meegemaakt. Bij het horen van een bepaald muziekstuk begin je plots te huilen. Ineens verschijnt er een beeld
waarvan je verdrietig wordt. Je wist niet dat je verdrietig was maar door het klinken van de muziek word je plots geraakt en
kan er een ervaring tot stand komen. Je kan het verdriet ten volle ervaren en je kan het zelfs benoemen.
Dementerenden in de fase van het verdwaalde-ik zoals Maria uit het voorbeeld is onderworpen aan lichamelijke sensaties waaraan zij geen vorm of betekenis kan geven. Ze weet niet dat ze verdrietig is, althans ze kan het niet zeggen.
Wanneer ik in muziektherapie de affectieve reacties bij de haar probeer te herkennen, tracht ik via muziek het lichaam in beweging te brengen. Dit gebeurt hoofdzakelijk door gebruik te maken van muzikale improvisatie met de stem en op muziekinstrumenten. Door middel van muzikale improvisatie is het mogelijk je muzikaal voortdurend af te stemmen op de affecten die zich op een traumatisch niveau bevinden en die voelbaar zijn door het samenzijn met de dementerende. In een muzikale improvisatie kan de dementerende op elk ogenblik actief deelnemen aan het spel of zich uit de actie terugtrekken. Op deze manier kan je als muziektherapeut vorm geven aan de lichamelijke sensaties die de dementerende ervaart, maar waaraan zij geen betekenis kan geven. Dit muzikaal vormgeven doet bij Maria beelden ontstaan die een betekenis kunnen krijgen in de beleving en wanneer de lichamelijke sensaties betekenis krijgen, verdwijnt ook de angst. Maria voelt zich dan op dat ogenblik veilig en geborgen.
Dit hele proces kan je vergelijken met wat Bion 'containment' noemt.
Hij gebruikt het begrip containment voor de wijze waarop een therapeut aanwezig is bij een patiënt. Deze wijze van aanwezig
zijn, is vergelijkbaar met de houding van een moeder die voor haar baby zorgt. Zij tracht ook de affecten bij haar baby te
herkennen, er vorm aan te geven en er op een gepaste wijze op te reageren. Op die manier creëert ze een psychische container
voor haar baby. De lichamelijke sensaties die de baby overspoelen worden door deze psychische container opgevangen. De moeder
fungeert als hulp-ik. Het kind voelt zich niet alleen maar ervaart dat moeder kan vormgeven aan de voor hem traumatische
ervaringen.
Op dezelfde wijze is de muziektherapeut aanwezig bij de dementerende persoon. Hij functioneert als hulp-ik voor de
dementerende.
Nog even wil ik iets vertellen over de muzikale improvisatie bij dementerenden, specifiek in de fase van het verdwaalde-ik.
Doorheen mijn werk ontdekte ik dat het gebruik van muzikale improvisatie in strikte zin, namelijk het creëren van een totaal
nieuw muziekstuk vaak erg confronterend is voor de dementerende. Muziek die hij niet op een of andere manier, hetzij melodisch,
hetzij ritmisch herkent, versterkt het onveilige gevoel en benadrukt bovendien het verlies van de geheugenfunctie. In deze fase
van dementie beseft de persoon meestal nog zeer goed dat hij veel vergeet.
Het lijkt dan alsof de nieuw gecreëerde muziek een verloren gegaan deel is en dat roept vaak enorme weerstand op. Bij mensen
wiens geheugenfunctie intact is, kan je met deze weerstand omgaan in muziektherapie. Bij dementerenden echter tracht ik de
weerstand te omzeilen door gebruik te maken van bekende melodieën zoals de populaire songs en dansmuziek uit hun jeugdjaren.
Door bij deze liederen de muzikale parameters zoals tempo, dynamiek, toonhoogte creatief aan te passen, kan ik toch de
lichamelijke sensaties verklanken en vormgeven.
Zoals reeds vermeld, kunnen we de toestand van een demente persoon in deze fase vergelijken met de toestand waarin een baby van minder dan zes maanden zich bevindt. Enkel primaire behoeften als eten, drinken, rust en warmte zijn het middelpunt van zijn bestaan. Meer nog dan in de vorige fase wordt hun bestaan gedicteerd door sensorische en motorische prikkels. We kunnen veronderstellen dat de demente in deze fase net zoals de pasgeborene nood heeft aan moederlijke zorgen. Iemand die hem bevredigt in zijn primaire behoeften, iemand die altijd nabij is. De persoon die bij hem is, beleeft hij niet als een afzonderlijke persoon, maar als een verlengstuk van zichzelf, net als de zuigeling zijn moeder ervaart Muziek is per definitie moederlijk, zoals reeds beschreven bij de vorige fase.
Laten we eerst even het voorbeeld nemen van een demente vrouw van 90 jaar. Ze is bedlegerig en als ze niet slaapt, roept ze bijna constant. Ze gebruikt haar stem hierbij op een betekenisloze wijze. De klanken die ze voortbrengt zijn volledig losgemaakt van de taal en van het symbolische. Ze vult de stilte rondom haar met intens schreeuwen, zo doordringend dat het personeel op dienst er kippenvel van krijgt. Verschillenden zeggen dat ze het geschreeuw door merg en been voelen gaan.
Hoe kunnen we dit geschreeuw begrijpen?
Het eerste contact met de wereld buiten de baarmoeder bestaat bij ieder individu uit schreeuwen. De eerste schreeuw waarmee elke
baby ter wereld komt, is puur fysiologisch van aard, hij heeft geen enkele communicatieve betekenis. Het gaat om een uiting van
pure eenzaamheid. Ook in de eerste weken die erop volgen, zal de baby telkens schreeuwen in een situatie van pure eenzaamheid,
een situatie waaraan hij geen vorm kan geven. Een goede moeder ervaart dit als een appèl op moederlijke zorgen. Zij zal de baby
troosten door hem ritmisch te wiegen, te strelen, maar ook door hem zachte woordjes toe te spreken, te zingen of te neuriën.
Op een intuïtieve manier gaat zij om met de vormeloze lichamelijke sensaties die de baby overspoelen. Door haar tussenkomst als
moeder biedt ze de baby troost, warmte, veiligheid, geborgenheid.
Deze bewoonster schreeuwt ook vanuit een pure eenzaamheid. Lichamelijke sensaties waaraan ze geen betekenis kan geven,
overweldigen haar en door te schreeuwen is er een afreageren van spanning en onlust mogelijk. Als muziektherapeut vat ik het
schreeuwen op als een appèl naar moederlijke zorgen, behoefte aan nabijheid en geborgenheid, troost en veiligheid., nodig voor
haar om te overleven. Ik ga dichtbij haar zitten en ik kijk en luister een tijd naar haar. Ik voel de doordringendheid waarmee
ze schreeuwt. Mijn lichaam trilt er als het ware van mee.
Wat ik voel, probeer ik vervolgens in een improvisatorisch spel op blokfluit te verklanken. Ik probeer haar geschreeuw te
ondersteunen door wat zij vocaal en in zekere zin ook muzikaal brengt te verwerken in een ritmisch en metrische compositie. Zo
ontstaat er op het niveau van het muzikale een symbiose, een toestand waarin we beiden verenigd zijn, een twee-eenheid zoals
dat bij een moeder en haar pasgeborene het geval kan zijn. De bewoonster ervaart de symbiose als een situatie van veiligheid
en geborgenheid. Langzamerhand worden de vocale uitingen minder indringend en op dat ogenblik gebeurt het vocaliseren enkel
nog om het plezier, zoals ook baby's om het plezier vocaliseren.
Uiteindelijk voelt de bewoonster zich veilig genoeg om in slaap te vallen. Echter wanneer zij ontwaakt, herhaalt de scène zich
van voren af aan. Omdat in tegenstelling tot de situatie bij een pasgeborene, bij de demente persoon de geheugenfunctie volledig
weg is, kan deze geen afdrukken meer maken van indrukken. Ze is 'vergeten' dat ze getroost werd en doet opnieuw appèl op
moederlijke zorgen. De muzikale vorm gaf haar echter wel de mogelijkheid om haar lichamelijke sensaties te structureren.
Tijdelijk kon zij een gevoel van hechting ervaren waardoor zij even veiligheid kon ervaren waardoor er een verbetering van de
levenskwaliteit werd bereikt.
De situatie waarin een moeder haar baby troost is vergelijkbaar met de tussenkomst van de muziektherapeut bij dementerenden in
de laatste fase. In tegenstelling tot muziektherapie in de fase van het verdwaalde-ik, doet muziek hier waarschijnlijk geen
beelden meer ontstaan, maar muziek kan niet enkel vergeten beelden in herinnering roepen, ze produceert ook een herinnering
zonder beelden, een onvoorstelbare herinnering die opduikt als het geluid klinkt en verdwijnt als het geluid stopt.
Graag wil ik tot slot nog even iets vertellen over het belang van interdisciplinariteit bij de behandeling en verzorging van
dementerende ouderen. Het is van het allergrootste belang dat hulpverleners uit verschillende disciplines zoals verzorgsters,
verpleegkundigen, psychologe, ergotherapeute, kinesitherapeute, muziektherapeute, psychiater, sociale werkster nauw samenwerken
om de zorg zo optimaal mogelijk af te stemmen op de dementerende bewoner. We proberen dan ook door dagelijkse breefings en een
maandelijkse teamvergadering onze zorg voor de bewoners optimaal op elkaar af te stemmen.
Op dit ogenblik is het aandeel van therapeuten in onze instelling in verhouding tot de verzorging en verpleging erg klein.
Daarom blijft het nog steeds moeilijk om het belevingsaspect op de voorgrond te plaatsen. Het blijft nodig om andere disciplines
te overtuigen van het belang van een belevingsgerichte begeleiding. Voor mij als muziektherapeute is het een volgend werkpunt
om de muziektherapie verder te integreren in de totale zorg.
Ik zal er de nadruk op leggen dat ook bij de verzorging het belang van het creëren van een psychische ruimte niet te ontkennen
valt. De houding van de verzorgende is voorwaardescheppend voor het opbouwen van een veilige relatie.
Ik hoop dat ik heb duidelijk gemaakt dat de aanwezigheid van muziektherapie in het werk met dementerende ouderen een belangrijke
schakel kan zijn voor een belevingsgerichte begeleiding.
De Backer, J.
Containment in Music Therapy, in Heal, M., Wigram, T., Music Therapy in health and education, London,
Philadelphia, 1993
Klein, M.
Loven guilt and reparation, London, Virago Press, 1988
Lehtonen, K.
Is Music an archaic form of thinking? In Britisch Journal of Music Therapy: A Handbook, Amsterdam, Harwood
Academic Publishers GmbH, 1996(2)
Miesen, B.
Dement, zo gek nog niet, Bohn, Staflen Van Loghum, 2000
Schotsmans M.
La voix d'ou je tiens ma vie, eindverhandeling, Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, 1999
Van Audenhove, Ch, Lammertyn F.
De zorg voor dementerende ouderen in Vlaanderen, Acco, Leuven, 1995
Van Camp, J.
Musique et affect, lezing op het congres van de Association française de musicothérapie, Paris, 1998
Verdult, R.
Dement worden, een kindertijd in beeld, Nijkerk, Intro, 1993